top of page
  • Anna van Gerve

Nacht

maart 2020


De lucht is zo vochtig dat onze jassen langzaam zwaarder worden. De bril van A is beslagen. Hij fietst voorover gebogen en snel.

’Waarom zeggen ze dat de nacht valt, mama?’ S piept met zijn neus boven de bakfiets uit. Hij heeft een capuchon op en een sjaal tot over zijn kin. ‘Hij valt toch niet?’

‘Nee,’ zeg ik, ‘maar misschien lijkt het wel alsof hij valt, uit de lucht.’

‘Maar dan zou hij op de grond liggen. Want als je uit de lucht valt, kom je op de grond terecht.’

‘Je hebt gelijk,’ zeg ik.

‘En als de nacht zou vallen, dan kon je hem ook oprapen toch?’

We zijn bijna thuis. De wind buigt het riet richting het water.

‘Mama?’ Ik kijk weer opzij. ‘Maarten ging dood omdat zijn hart een probleem had toch?’

Ik knik. Hij had er zo vaak naar gevraagd. ‘En Lena’s moeder? Zij was ook ziek toch?’

‘Ja.’

‘Maar wat had ze dan?’ Ik zeg dat ze ontzettend veel pech had, dat zoiets bijna nooit gebeurt.

‘Jij bent ook ziek toch?’

‘Ja, maar ik ga niet dood. Dat heb ik je toch al uitgelegd? Sommige mensen worden niet beter, maar ze worden ook niet slechter. Het blijft gewoon zoals het is. Ik ben wat sneller moe en ik moet vaak pillen nemen, maar ik ga niet dood. Ok?’

‘Maar ooit ga je wel dood toch? En papa ook?’

‘Iedereen gaat een keer dood.’

‘Maar ik wil niet dat jullie dood gaan.’

Mijn vingers klemmen zich iets strakker om het stuur.

‘Mama?’

‘Ja?’

‘Maarten was niet oud toch?’

‘Nee.’

‘En Lena’s moeder ook niet.’

Ik schud mijn hoofd. S kijkt stil de nacht in.

‘Mag ik konijn? Waar is konijn?’

‘We zijn bijna thuis,’ zeg ik.

Hij begint te huilen. We parkeren de fiets bij de voordeur. Ik houd hem vast. Ik kan niets zeggen. Ik zou willen dat ik hem kon vertellen dat we echt niet plotseling dood gaan. Maar hij weet dat iedereen ziek kan worden, dat iedereen pech kan hebben en dat iedereen dood kan gaan. Dat was niet meer dan een ongelukkige optelsom. Zijn hele lijf schokt. A drukt konijn in zijn armen.

‘Ik zet jouw fiets wel even in de schuur,’ zegt hij tegen mij.

Ik veeg de wangen van S droog, maar ze worden direct weer nat. Ik druk kussen op zijn voorhoofd, op zijn wangen. Hij verstopt zijn gezicht in mijn nek. Als A terugkomt gaat hij naast ons zitten.

‘Kom, laten we gaan slapen,’ zegt hij.

‘Maar met zijn allen,’ huilt S.

‘Kom op, met z’n allen,’ zeg ik

. Hij mag tussen ons in. Wij gaan nergens heen.




37 weergaven0 opmerkingen
bottom of page