Bemoeizucht
- Anna van Gerve
- 2 aug 2025
- 3 minuten om te lezen
Het westelijke deel van het eiland verdween in 1736 in zee. Wat betekent dat precies? Gebeurde het van de ene op de andere dag? Zat het er al aan te komen? Of brokkelde het eiland langzaam af en was in dat bewuste jaar het laatste stukje aan de beurt? De rest van het eiland dreigde door zandverstuivingen onder het zand te verdwijnen. Er werd helm aangeplant en later werden de eerste bossen aangelegd.
S moet zo nodig plassen dat hij geen tijd heeft om zijn sandalen aan te doen voor de badhokken. Ik leg het boekje over de geschiedenis van het eiland weg en ga met hem mee. Er loopt een fazant tussen de tenten door. Zijn kleur schittert te midden van het grijze duingras en de crème kleurige tentdoeken.
‘Wat doe jij nou hier?’ zeg ik.
‘Wat zeg je?’ roept S achterom.
‘Niets,’ zeg ik, ‘ik praat met de fazant.’
Als S uit de badhokken komt, rent hij direct door naar de speeltuin.
‘Het is bijna bedtijd,’ roep ik nog, maar hij is al verdwenen.
Hij trekt zich langzaam los van mij. Aan zijn manier van lopen zie ik hoe groot hij zich voelt als hij ergens heen mag zonder mij. Het is gek dat je naar iets kunt verlangen - vrijheid, alleen zijn - en tegelijkertijd terug wilt naar de tijd dat je kind zich nog aan je vastklampte.
De tent ruikt naar koffie. A zit aan tafel. Naast hem staat de afwas klaar in een teiltje. Ik laat me in een plastic klapstoel vallen en kijk naar de lucht. De zon gaat pas tegen tienen onder, achter het hoge duin dat de camping van de zee afschermt. Ik probeer niet aan stormvloeden en duindoorbraken te denken. Mijn hoofd zit vol rampspoed. Dat is nooit anders geweest. Mijn lijf is voortdurend in een staat van opperste paraatheid. Vliegtuigen storten neer, treinen ontsporen, auto’s en fietsers verongelukken. Maar er zijn ook kleine rampen zoals de weg niet kunnen vinden, moeten plassen op een moment dat er nergens een toilet is, niet uit mijn woorden kunnen komen, wat als ik in een verkeerde trein stap, wat als ik te laat kom of juist veel te vroeg, wat als ik niet weet hoe ik iemand moet begroeten, wat als ik onderweg een platte band krijg, wat als mijn pinpas niet werkt, wat als mijn telefoon leeg raakt, wat als ik niet meer weet hoe ik thuis kom. Misschien houd ik daarom zo van het vergaren van kennis. Het is een manier om mijn angsten onder controle te houden. In een wereld die zo chaotisch, onvoorspelbaar, gecompliceerd en overweldigend is, heb je houvast nodig. De feiten en brokjes geschiedenis die ik verzamel zijn als de gekleurde grepen op een klimwand.
‘Wist je dat fazanten, konijnen en knobbelzwanen tot de inheemse soorten worden gerekend omdat ze voor het jaar 1500 in Nederland werden geïntroduceerd?’ zeg ik, ‘fazanten werden ooit uitgezet als jachtwild, net als damherten.’
A maakt een geluid alsof hij luistert, maar kijkt niet op. Eigenlijk is het tijd om S uit de speeltuin te plukken, tanden te poetsen en een verhaaltje te lezen, maar voor ik het weet raak ik verzeild in konijnenplagen. Fazanten slapen in bomen, denk ik nog net, ik moet S herinneren aan het boek dat we samen lazen, over de jongen die met zijn vader op fazantenjacht ging, maar dan zit ik alweer bij konijnen.
De konijnenziekte Myxomatose werd met opzet verspreid om de konijnenpopulatie te reduceren. Het virus werd in 1952 in Europa geïntroduceerd door een Franse arts die last had van konijnen op zijn omheinde landgoed. Van daaruit heeft het virus zich over Frankrijk verspreid. In 1954 werd de ziekte opzettelijk in Ierland geïntroduceerd door Ierse konijnen in te wrijven met de huid van een aan myxomatose gestorven Brits konijn om ze vervolgens vrij te laten. Binnen enkele jaren was de hele Ierse konijnenpopulatie besmet. In september 1953 werd het eerste zieke konijn in Nederland gesignaleerd. In 1957 was het over heel Nederland verspreid. Bij deze eerste epidemie is 99,9% van de wilde konijnenpopulatie gestorven. Ook veel tamme konijnen gingen dood. Ik denk aan een foto van mijn moeder die als negenjarig meisje een bruin gevlekt konijn tegen haar borst duwt. Ze staat in de tuin en heeft alleen oog voor het beestje. De zon reflecteert haast in haar net gekamde haren.
Ik stuur mijn moeder een bericht om te vragen of haar konijn Hendrik rond 1957 stierf aan myxomatose. Mijn telefoon licht op: ja, hoezo?
Moet je konijnen niet gewoon hun gang laten gaan en erop vertrouwen dat de natuurlijke vijanden hun werk doen. Moet je een eiland niet gewoon in zee laten verdwijnen? Waar bemoeien mensen zich eigenlijk mee?
‘We maken overal een puinhoop van,’ zeg ik.
A kijkt op, ‘wat?’
‘Dat we overal een puinhoop van maken.’
‘Wie? Wij?’
Ik zucht. ‘Ik begrijp mensen niet,’ zeg ik.
‘Dat weet ik toch,’ antwoordt A.






Opmerkingen