top of page
  • Anna van Gerve

Hoofdzaken en bijzaken

Over de vloer loopt een lijnenspel van geel, rood en blauw. Rondom de directeur van de school staan zeven rijen stoelen opgesteld. De achterste is gereserveerd voor de ouders van de nieuwe eerste klassers. Ik zit tussen A en een moeder ingeklemd. Het ruikt naar zweetsokken en linoleum.

‘A?’ Ik stoot zijn arm aan. ’Ik wil weg.’

Hij kijkt verbaasd. ‘We zijn er net, alle kinderen moeten nog komen.’

Achter in de zaal huilt een baby. De kinderen van de tweede klas stommelen naar binnen. Hun stemmen ketsen tegen de muren, het plafond, de vloer en klonteren samen tot een brei van klanken. ‘Sssst’, zegt de directeur, ‘sssst’, sissen de juffen. De kinderen zijn blij om elkaar na zes weken weer te zien. Hun huid is gebruind, de zee zit nog in hun haren. Ook de andere klassen drommen één voor één naar binnen. Ik fixeer mijn blik op mijn knieën en probeer rustig door mijn neus te ademen. Het geluid in de zaal is overweldigend. Soms is het alsof ik kan zien hoe honderden verschillende geluidsgolven over elkaar heen buitelen en in elkaar verstrikt raken. Ik ben de enige die in de gaten heeft dat er nauwelijks ruimte overblijft. En iedereen zit daar maar alsof er niets aan de hand is. Daar zijn de kersverse eersteklassers. Ik zoek S, mijn oog in de storm. Hij draagt zijn gele dino shirt.


Pas als we buiten staan is er weer lucht.

‘Waarom zei je niets tegen de moeder naast jou? Ze was tegen je aan het praten, maar jij negeerde haar volledig,’ zegt A, ‘dat was heel raar.’ 

Verderop staan ouders met kopjes koffie en thee in hun handen.

‘Daar heb ik niets van gemerkt,’ zeg ik, ‘kunnen we nu naar huis?’


Dit gymzaal-incident was ruim een jaar nadat ik toevallig stuitte op een verhaal waarin ik mezelf herkende. Ik hoorde een vrouw vertellen over zwembaden en hoe haar lijf verstijfde zodra ze daar binnenkwam, het geluid, de warmte, het plakkende badpak, de blote lijven, douches, tegels, gangen, kleedhokjes, waar naar binnen, waar er weer uit. Ze zei ‘wie gaat er nou voor zijn plezier naar een feest,’ ik dacht ‘ja, wie doet dat nou?’. En plotseling vertelde ze dat ze op latere leeftijd de diagnose autisme kreeg en dat zij zeker niet de enige vrouw is die hier zo laat achter komt.

Ik probeer de podcast terug te zoeken, scroll door mijn geschiedenis, luister fragmenten opnieuw, maar kan de vrouw die alles in gang zette nergens vinden. Tot ik een boek van Katherine May herlees. Een vrouw zit in de auto en luistert naar de radio. Daar vertelt een stem hoe ze licht, geluid, aanrakingen en geur zo intens ervaart dat ze er gespannen van wordt. Ze zegt dat ze niet begrijpt waarom mensen niet gewoon zeggen wat ze bedoelen. ‘Ja,’ denkt de vrouw in de auto, ‘ja,’ denk ik. Dan vertelt de interviewer dat zijn zoon ook op het autisme spectrum zit en dat hij alles voor hem moet opschrijven, omdat het anders langs hem heen gaat. De vrouw in de auto denkt ‘zo ben ik ook!’. Ik denk ‘zo ben ik ook!’ Hoe meer de stem vertelt, hoe meer de vrouw in de auto zich flarden uit haar eigen leven herinnert, hoe meer ik de vrouw in de auto word. ‘Een cliché over autisme is dat romantische relaties ontzettend ingewikkeld zijn,’ zegt de interviewer, ‘Jij bent getrouwd, hoe werkte dat voor jou?’

‘Hoe durf je?’ roept de vrouw in de auto, ‘zo afstotelijk zijn we niet.’ Het woord ‘we’ overvalt haar. En op dat moment word ik haar. Ik maak een herinnering die niet bestaat. Er was nooit een podcast. Er was een boek, er was een vrouw in een auto en er was een vrouw op de radio. De vrouw die ik dacht zelf gehoord te hebben.


Waarom deed ik er zo lang over om naar de huisarts te gaan en mijn vraag voor te leggen: Zou het kunnen dat ik autistisch ben? Chronisch ziek (een spierziekte sinds mijn zestiende) én autistisch. Mijn god. 

‘God bestaat toch niet?’ 

‘Sommige mensen denken van wel.’ 

‘Maar wij niet toch, mama?’ 

‘Nee, wij niet.’

Ik denk dat ik even bang was dat de huisarts mijn vraag van tafel zou vegen met een opmerking als ‘je kijkt me toch aan en je communiceert toch prima’ als dat hij mijn vraag iets te enthousiast zou beamen en opgelucht was dat ik er nu eindelijk zelf mee kwam. Het was onze zoon en zijn eerste schooldag die me over de streep trokken. Want wat is een moeder die overal maar weg wil?


‘Zie je alleen zwart en wit of zie je ook grijs?’ vraagt de huisarts. 

Ik frons mijn wenkbrauwen, denk aan schaakstukken en de zwart-witte tegels in de gang van mijn opa en oma, aan potloodtekeningen, regenachtige dagen en stoeptegels. Natuurlijk zie ik grijs, iedereen ziet toch grijs?

‘Ehm…’ zeg ik, ‘ik weet niet of…’

‘Is er in je denken ruimte voor tussenoplossingen en nuances of zie je alleen zwart en wit?

‘Oh zo,’ ik kijk naar de tafel en verleg mijn kin van mijn rechter naar mijn linkerhand. ‘Dat weet ik niet precies, ik houd wel van duidelijkheid en ben vrij snel in beslissen of ik iets of iemand leuk vind of niet. Bedoel je dat?’

Hij noteert iets.

‘Kun je goed omgaan met veranderingen?’

Ik lach. Als hij mij een beetje zou kennen zou hij ook lachen. 

‘Nee,’ zeg ik.

Weer een vinkje. Ik had hem verteld over de bijeenkomst in de gymzaal, over de supermarkt die ik liever ontwijk, de zwemlessen waar ik onze zoon elke week naartoe moet brengen, de ouderavonden en dat ik plotseling niet meer weet of ik steeds zo moe ben door mijn spierziekte of door iets anders.

‘Misschien wel door allebei,’ zei hij.

Hij heeft een vriendelijk gezicht en een prettige rustige stem. Zijn achternaam klinkt als een ver land waar de zon altijd schijnt. Hij legt iets uit over prikkelverwerking, over voorbij rijdende auto’s die je net zo hard hoort als degene die praat.

‘Nu hoor ik alleen nog maar voorbij rijdende auto’s,’ zeg ik.

Hij lacht.

‘Ik denk dat het zowel voor jou als voor je omgeving fijn zou zijn als er een diagnostisch onderzoek naar autisme wordt gedaan,’ zegt hij dan.


Ik vul een vragenlijst in. De ruimte voor mijn antwoorden is te kort. Ik ben nooit goed geweest in het scheiden van hoofd- en bijzaken. Waar ik tegenaan loop in het dagelijks leven, of ik traumatische ervaringen heb, wat mijn verwachtingen zijn van een behandeling. Ik stok. Ik wil niet behandeld worden, ik heb helemaal geen behandeling nodig, ga zelf maar in behandeling, ik niet hoor, echt niet. Het is mistig buiten. ‘Doe nou maar,’ hoor ik een vriend zeggen, ‘gewoon aan beginnen, ik voelde me altijd beter na therapie.’ Maar hij houdt van praten, ik niet.

Ik recht mijn schouders. Klik, volgende. Wat denk je zelf dat er aan de hand is en kun je uitleggen waarom? Ik lach. De googlende patiënt. Natuurlijk weet ik wat er aan de hand is. Ik struinde het internet af, las boeken, wetenschappelijke artikelen, blogs van ervaringsdekundigen, luisterde podcasts, las nog meer boeken, noteerde paginanummers, streepte alinea’s aan en maakte beschamend lange lijsten met voorbeelden uit mijn eigen leven. Af en toe dacht ik aan tunnelvisie en een paar weldenkende vrienden die tijdens de coronacrisis in de fuik van complottheorieën vielen.

  ‘Het lijkt wel alsof je autistisch wílt zijn,’ zei A toen ik hem opgetogen iets voorlas over een jongen in een restaurant. Zodra de jongen binnenkwam, wilde hij niets anders dan terug naar buiten rennen. In plaats daarvan begon hij te veel en te snel te praten. Zijn ademhaling versnelde, hij kneep zijn handen tot vuisten. Zijn moeder was de enige die zijn stille oorlogen herkende. Ze ving zijn ogen of raakte zijn hand even aan en dan ebde zijn paniek weg. A was geïrriteerd. 

‘Maar jij bent dat,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Voor mij bedoel ik. Jij bent dat voor mij.’


Een klokje op de bijzettafel tikt de zinnen van de therapeut in honderd stukjes. Ik probeer me te concentreren op wat ze zegt. Ze stelt zichzelf voor. Ik kijk naar haar bril. Ze is jong. Die klok moet uit. Ik zit in de hoek van de bank, veel te dicht bij het bijzettafeltje. 

‘Kun je iets vertellen over welke dingen lastig voor je zijn?’ vraagt ze.

‘Die klok.’

De woorden schieten uit mijn mond alsof ik al die tijd mijn adem moest inhouden en eindelijk boven water kom. Ze lacht. Zet ze hem niet uit? Ze zet hem niet uit. Waarom zet ze hem niet uit? Ze vraagt verder, over mijn kindertijd, hoe ik opgroeide, de basisschool, middelbare school, studeren. Ze noteert flarden van mijn levensloop in haar schriftje. Dan klikt ze haar pen dicht.

‘De tijd is bijna op,’ zegt ze, ‘we hadden drie gesprekken gepland. De eerste twee zijn een kennismaking en de derde was bedoeld als afronding en het maken van een behandelplan, maar die ga ik schrappen.’

Ik ga iets rechter op zitten.

‘In plaats daarvan meld ik je direct aan voor een diagnostisch onderzoek naar autisme,’ zegt ze, ‘ik begrijp heel goed dat je met die vraag bij ons bent gekomen.’ 

Ik raak verstrikt tussen het schoolkind dat een sticker krijgt omdat ze haar werk zo goed deed en de jonge vrouw die beledigd is dat ze zo snel in een hokje gestopt kan worden. De therapeut vertelt over vragenlijsten die ik moet invullen, een drie uur durend interview, mijn moeder en mijn partner die ook moeten komen. Ik pluk aan de mouwen van mijn trui en denk aan hoe S een ongebreidelde aaneenschakeling van zelfverzonnen teksten op bijeengeraapte melodieën zingt om zich te concentreren.

De therapeut staat op.

‘We hebben het er volgende keer wel over,’ zegt ze.


S zit zingend aan de keukentafel. De donkere dagen gaan voorbij, in de kracht van mij. Zij gaan NU voorbij! Hij tekent een walvis met oren, een schildpad met haren en een haaivis. Plotseling houdt het lied op. 

‘Drink je limonade maar helemaal op mama,’ zegt hij, ‘dat is gezond voor je.'



60 weergaven0 opmerkingen
bottom of page