top of page
  • Anna van Gerve

Bewaren

Augustus 2022


S ligt opgekruld onder de lakens. Op zijn linkerarm staat een tatoeage van balpen, dikke blauwe stippen banen zich een weg van zijn pols naar zijn elleboog. Ik mocht het er niet af wassen. De gordijnen zijn half dicht. Er is niet zoveel zon meer, maar de wolken zijn zo wit dat je niet anders kunt dan met je ogen knijpen. Een paar kraaien maken slordige banen door de lucht. De school is nog maar één week begonnen, maar S is nu al ziek. Ik had gehoopt dat we de eindeloze cirkel van kinderen die elkaar aansteken nog even konden uitstellen. Als S slaapt lijkt hij ouder. Ik kan bijna zien hoe hij als tiener wordt. Zijn bovenlip steekt iets naar voren, net als wanneer hij zich concentreert als hij tekent of schrijft. Hij ademt diep en regelmatig. De kat is aan zijn voeten gaan liggen. Het is zo droog geweest dat de bladeren van de bomen verkleurd zijn.

Ik heb nooit echt van de zomer gehouden, alsof de schelle zon het zware gevoel dat altijd ergens in mijn buik op de loer ligt verdubbelt. Slippers, sandalen, jurkjes, zonnebrillen, badpakken, bikini’s, zwembroeken, handdoeken. Al twee maanden geen wolkje aan de lucht, wat wil je nog meer? Het leven heeft zich naar buiten verplaatst, naar de speeltuin op het pleintje, het meer verderop, de duinen, het strand, de zee. Onder het geluid van de stad klinkt het zoemen van de bijen die er nog zijn, in geurende bermen, bloembakken en een enkele tuin die niet betegeld is. We maken alles kapot. En de hele dag moet ik doen alsof dat niet zo is. Want hoe anders vier je de zomer met een kind van zes?

‘Mama, er komen steeds meer zinkgaten!’ riep S laatst vanaf de bank.

Hij was rechter op gaan zitten en keek met grote ogen. ‘Ik hoop niet dat er onder ons huis een zinkgat komt.’ Ik zei hem, nee natuurlijk niet, niet hier.

‘Maar Klokhuis zegt het!’

Ergens anders misschien, ver weg, zei ik en toen verdween hij weer in de wereld die hij zelf aan het bouwen is. Sinds een paar maanden durft hij niet meer alleen naar de wc of naar boven, zelfs niet overdag. Overal zijn monsters. We verstoppen alles op zijn kamer dat hem bang maakt. Maar de wind die de gordijnen beweegt kan ik niet stoppen en de schaduwen op de muren ook niet.

We liggen op onze zij naar elkaar toe. De bank is uitgeklapt tot bed. S duwt zijn wijsvinger op mijn neus, houdt mijn hand vast en laat zijn ogen af en toe dichtvallen. Zijn wangen zijn rood en zijn voorhoofd heet.

‘Mama?’ zegt hij plotseling. Zijn ogen schieten over mijn gezicht alsof hij iets zoekt.

‘Ja?’ zeg ik.

‘Mama? Als jij dood gaat, dan bewaar ik jouw hart en jouw hersenen.’

‘Waarom?’

‘Om je altijd te onthouden. En je oogballen,’ zegt hij, ‘want dan kan ik die gebruiken voor mijn robothoofd en kan ik door jouw ogen kijken. Of misschien kan ik je hele hoofd wel bewaren…’

Hij kijkt even naar boven. Hij denkt na. Hij ziet iets. Hij ziet altijd iets. ‘Maar ik wil geen oma-hoofd,’ zegt hij dan, ‘en jij bent al een oma als je dood gaat, dus beter alleen je oogbollen.’

‘Ja, beter,’ zeg ik.

Hij kijkt blij. Hij is tevreden met zijn plan en kan weer slapen.



49 weergaven0 opmerkingen

Comments


bottom of page